Interpellaties
Voorzitter,
Collega’s
De Vlaamse regering heeft in 2006 aangegeven dat het sluipverkeer in verschillende gebieden in Vlaanderen een probleem vormt. Om een beter zicht op deze problematiek te krijgen, is er in de zuidoostrand van Antwerpen een studie uitgevoerd. Die studie is inmiddels een pilootproject geworden. Het zou de bedoeling zijn om uit deze studie te leren en om conclusies over de aanpak van sluipverkeer voor heel Vlaanderen te trekken. Het voorstel van eindrapport is reeds een tijd geleden afgewerkt en met de burgemeesters van de zuidoostrand van Antwerpen en hun mobiliteitsambtenaren besproken. Ze hebben hierbij een aantal belangrijke opmerkingen gemaakt.
Onze fractie mocht uit de gemeenten in de zuidoostrand van Antwerpen verschillende signalen opgevangen. Blijkbaar wordt met betrekking tot dit project weinig vooruitgang geboekt. Het lijkt wel of men ter plaatse blijft trappelen. Het Vlaams Belang wil hier benadrukken dat infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn. Dit blijkt uit de reactie van een aantal burgemeesters op de situatie op de R11. Indien de startbaan van Deurne zou worden verlengd, is het volgens hen noodzakelijk een aantal kruispunten opnieuw in te richten.
Zelfs de groene burgemeester van Mortsel heeft zich laten ontvallen dat ze zich niet langer tegen een verbindingsweg tussen Mortsel en Boechout kant. Op die manier kan de dorpskern van Borsbeek eindelijk worden ontlast. Eenmaal de problemen zo groot zijn dat enkel infrastructuurwerken nog een oplossing voor de verkeersinfarcten kunnen bieden, laten zelfs groene burgemeesters hun oude principes varen.
Dat de nood aan bijkomende infrastructuur is nu zo groot is komt door een ondoordacht beleid met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de N1. We denken dat het voorbeeld van Mortsel ondertussen tot in West-Vlaanderen en Limburg gekend is. De wegcapaciteit is ten gunste van het openbaar vervoer gehalveerd. Het gaat hier om een belangrijke as voor de hele regio. Een terugkeer naar het oude tracé is haast onmogelijk. We vragen ons steeds weer af of de vraag naar bijkomende infrastructuurmaatregelen, geformuleerd door verschillende gemeenten wel ernstig wordt genomen. Naar aanleiding van de uitbreiding van de luchthaven van Antwerpen en van de komst van een aantal industrieterreinen rond de R11 zijn er een aantal infrastructurele maatregelen meer dan nodig.
Een nieuw element van de studieopdracht , wat eigenlijk de reden is van mijn interpellatie, van de Vlaamse Regering is de betrokkenheid van de Provincie Antwerpen. Dit verbaast ons enigszins. Immers zoals u weet collega’s beschikken wij binnen zeer korte termijn over geen enkele provincieweg meer. Het is me dus niet duidelijk wat de taak van de provincie met betrekking tot deze studieopdracht zal zijn. Wat wil de Vlaamse Regering van ons ?
Onze fractie kijkt argwanend naar deze doorschuifoperaties van taken van de Vlaamse Regering naar de provincie. Een coördinerende taak, tot daar aan toe, maar als er iets fout loopt, moet de minister haar verantwoordelijkheid nemen, en niet alles doorschuiven naar de provincie. Het komt, wat ons betreft, wel de Vlaamse Regering toe om projecten waarover een draagvlak en een consensus in een regio bestaan ook uit te voeren. Vandaag neemt de provincie die rol op zich.
Mevrouw de depute, welke stappen moet de studie nog doorlopen voor een definitief eindrapport kan worden opgesteld ?
Kunt u me meedelen of met betrekking tot het openbaar vervoer of de infrastructuur al voorstellen zijn ingediend ?
Op welke wijze heeft de provincie Antwerpen een aandeel in dit studieproject? Zijn we erbij betrokken of coördineren we enkel.
Heeft de Vlaamse Regering middelen voorzien om in functie van het toekomstige eindrapport ook elders in de zuidoostrand van Antwerpen infrastructurele maatregelen te treffen ?
Heeft de Vlaamse Regering middelen voorzien voor deze coördinerende rol ?
Wat houdt deze coördinerende rol juist in – wat moeten we ons hier bij voorstellen ?
Steven Vollebergh, Provincieraadslid